Natte of effusie-FIP

Droge of niet-effusie FIP

Diagnose van FIP

Voor het insturen van een monster naar de Universiteit van Glasgow voor een FIP-profiel

Feline coronavirus antistoftesten

Opsporing van virussen met RT-PCR

Op welke symptomen moet ik letten bij mijn kat?

 

Feline infectieuze peritonitis (FIP) is de grootste besmettelijke doodsoorzaak onder katten. FIP treedt op wanneer de kat niet goed reageert op een infectie met het feline coronavirus (FCoV). De meeste katten raken gewoon geïnfecteerd, geven ongeveer twee maanden FCoV door, bouwen een immuniteitsreactie op, overwinnen het virus en leven vrolijk verder (zie Hoe kan een FCoV-infectie in een cattery of in een huishouden met katten worden uitgebannen). Helaas is er, om ons nog niet geheel duidelijke redenen, een klein aantal katten waarin zich FIP ontwikkelt en bij wie de FCoV-infectie dus niet verdwijnt.   

De naam FIP is enigszins misleidend. FIP is geen ontsteking van het peritoneum (het buikvlies), maar een vasculitis (ontsteking van de bloedvaten). De klinische verschijnselen die de kat ontwikkelt, hangen af van welke bloedvaten beschadigd raken en naar welk orgaan of welke organen die bloedvaten bloed aanvoeren.

Natte of effusie-FIP
Dit is de acute vorm van deze ziekte, waarbij veel bloedvaten ernstig beschadigd raken  waardoor er vloeistof in de buikholte of in de borstholte lekt. Bij een aantasting van de bloedvaten in de buik, zwelt de buik van de kat op door buikwaterzucht (ascites). Bij een beschadiging van de bloedvaten in de borstholte, lekt er vloeistof in de borst waardoor de longen niet goed kunnen uitzetten en de kat zichtbaar ademhalingsproblemen heeft.

Droge of niet-effusie FIP
Droge FIP is de chronischere vorm van de ziekte. Bij droge FIP heeft de kat vaak vage, klinische klachten, zoals verminderde eetlust, vermagering, sloomheid. Veel katten met droge FIP krijgen geelzucht (icterus). Dit is te zien aan  de binnenkant van het ooglid dat er geel uitziet. Aan de bleke neus van de kat kun je zien dat deze er geel uit ziet. Veel katten met droge FIP vertonen tekenen in de ogen. Meestal verandert de iris (het gekleurde deel van het oog rond de pupil) van kleur, en kunnen delen van de ogen bruin lijken. (zie foto’s).

 

(Hartelijk dank aan Mevr. M. voor deze foto.)

De kat kan bloedingen in het oog hebben, maar ook kan er een witte neerslag op de cornea (het heldere membraan op de voorzijde van het oog) optreden.

 

 

Voor dierenartsen: Controleer de ogen met een oftalmoscoop op vitreuse ring- en manchetvorming rond een retinaal bloedvat (zie foto hieronder).


 

(Hartelijk dank aan John Mould voor deze foto.)

Zo’n 12% van de katten met niet-effusieve FIP krijgen ook neurologische symptomen. Ze worden vaak ataxisch (onzekere gang en omvallen bij het lopen), ze kunnen last krijgen van bevingen, toevallen, hun ogen kunnen van links naar rechts schieten in plaats van in focus zijn.

Toch kunnen al deze klinische symptomen door een andere, soms behandelbare, aandoening worden veroorzaakt waardoor het van essentieel belang is dat de diagnose juist is.

 

 


Diagnose van FIP dit deel is bedoeld voor dierenartsen.
FIP is een aandoening die, zoals algemeen bekend is, moeilijk is vast te stellen; omdat veel andere aandoeningen zeer vergelijkbare klinische symptomen vertonen. Een definitieve diagnose is pas mogelijk bij autopsie, of af en toe bij een biopsie (alhoewel nauwkeurige biopsieresultaten een biopt van een zichtbaar granulomateuze wond met pusvorming vereist, waarvoor een laparotomie nodig kan zijn). Bij slechts 18% van de monsters die naar ons laboratorium worden gestuurd voor een diagnose van FIP, blijkt het ook werkelijk om FIP te gaan. Aangezien op katten met FIP doorgaans euthanasie gepleegd wordt, is het van vitaal belang dat FIP nauwkeurig wordt onderscheiden van andere, behandelbare aandoeningen.

In ons laboratorium van de Universiteit van Glasgow bieden we een FIP-profiel dat een diagnose van FIP voor meer dan 90% van de gevallen bevestigt of uitsluit. Het FIP-profiel bestaat uit vier delen: een feline coronavirus (FCoV) antistoftiter, albumine:globuline (A:G) ratio van de effusie of plasma, alfa-1-zuur glycoproteïne (AGP) niveau en cytologie of hematologie.

 

Profiel effusie-FIP (natte FIP)
Profiel niet-effusie FIP (natte FIP)
Voor het insturen van een monster naar de Universiteit van Glasgow voor een FIP-profiel
Feline coronavirus antistoftesten         
Virus detection by RT-PCR

(top of page)

 

Profiel effusie-FIP (natte FIP)

FCoV antistoftiter
De aanwezigheid van antistoffen geeft aan dat de kat geïnfecteerd is met FCoV, de veroorzaker van FIP. Elk type FCoV antistoftiter kan optreden in gevallen van natte of effusieve FIP, maar de meeste katten met FIP hebben extreem hoge antistoftiters (1280 of hoger). Antistoftiters van 0 zijn ongebruikelijk in gevallen met FIP en worden doorgaans beschouwd als indicatie dat de kat geen FIP heeft. (Indien andere parameters echter wijzen op een diagnose van FIP, ondanks een antistoftiter van 0, dan is er sprake van de enige situatie waarbij FCoV RNA-detectie (RT-PCR) die is uitgevoerd op de effusie de FIP-diagnose kan bepalen. Bij deze katten  is zoveel virus aanwezig in de effusie dat alle antistoffen hiermee zijn verbonden en dat er geen vrij zijn om zich te binden aan het virus in de test.)

Let op: Veel gezonde katten en katten met een andere ziekte dan FIP hebben FCoV antistoffen. De aanwezigheid van FCoV-antistoffen alleen levert geen diagnose FIP op, als de andere parameters van het profiel niet wijzen op een diagnose FIP.

Totale proteïne in de effusie en de verhouding albumine:globuline (A:G)
De totale proteïneconcentratie in de effusie van een kat met FIP is meestal hoger dan 35 g/l en dit bestaat meestal uit meer globuline dan albumine, wat de A:G verhouding drukt. Een A:G van < 0,4 geeft aan dat FIP vrij aannemelijk is; een A:G van > 0,8 sluit FIP uit; een A:G van 0,4 tot 0,8 – neem andere parameters in overweging. De A:G van een effusie is een van de nuttigste testen die in de praktijk uitgevoerd kunnen worden voor een snelle aanwijzing of een kat wel of geen FIP kan hebben en die uitgevoerd kan worden op een VetTest-machine (deel de waarde van de albumine door die van de globuline).  

AGP-niveau
Alfa-1-zuur glycoproteïne (AGP) is een acuut fase eiwit dat heel nuttig is gebleken bij het maken van onderscheid tussen FIP en andere klinisch vergelijkbare aandoeningen. In FIP liggen de AGP-waarden meestal hoger dan 1500 mg/ml. In normale katten is dit maximaal 500 mg/ml. In katten met bacteriële peritonitis of pleuritis is de AGP ook verhoogd, waardoor ook cytologie noodzakelijk is om deze aandoeningen van elkaar te onderscheiden. Bij cardiomyopathie, niet-besmettelijke leverziekte en tumoren, de meest voorkomende aandoeningen die voor FIP worden aangezien, is de AGP normaal.

Cytologie
Bij effusie-FIP zijn er doorgaans minder dan 3 x 10 9 tot kern gevormde cellen per liter in de effusie aanwezig en de cellen zijn overwegend neutrofiel en macrofagen. In bacteriële peritonitis en pleuritis is het aantal witte bloedcellen in de effusie veel hoger en zal de cytoloog doorgaans bacteriën zien (Als deze intracellulair zijn, wijst dit op meer dan slechts een vervuiling van het monster). Cytologie van de pleurale effusies is nuttig voor het differentiëren van thymus lymfosarcoma, aangezien de overheersende cel de lymfocyt is en deze vaak kwaadaardig lijken.

Samenvatting
Een kat met natte FIP zou daarom seropositief moeten zijn voor FCoV, de totale hoeveelheid proteïne van de effusie moet hoger zijn dan 35g/l en de verhouding albumine:globuline moet lager zijn dan 0,4 (of op zijn minst lager dan 0,8), de AGP moet hoog zijn (hoger dan 1500 microgram/ml en de cytologie moet weinig tot kern gevormde cellen laten zien, waarvan het merendeel neutrofielen en macrofagen zijn  

(top of page)


Profiel niet-effusie FIP (natte FIP)

FCoV antistoftiter
FCoV antistoftiters bij droge FIP zijn meestal groter dan 1280. Een antistoftiter van nul sluit niet-effusieve FIP uit.

Let op: Veel gezonde katten en katten met een andere ziekte dan FIP hebben FCoV antistoffen. De aanwezigheid van FCoV-antistoffen alleen levert GEEN diagnose FIP op, als de andere parameters van het profiel niet wijzen op een diagnose FIP. Een gezonde kat met een hoge FCoV antistoftiter is GEEN kat met droge FIP.

Albumine:Globuline verhouding (A:G)
Bij FIP is de globulineconcentratie in serum of plasma gestegen tot boven 40 g/l. Daardoor is de A:G verhouding normaal gesproken verlaagd. Een A:G van <0,4 geeft aan dat FIP vrij aannemelijk is, vooropgesteld dat de globulines verhoogd zijn; denk er wel aan dat een laag albuminegehalte (bijvoorbeeld bij leverziekte) de A:G verhouding ook kunstmatig kan verlagen. Een A:G van >0,8 sluit FIP uit; een A:G van 0,4 tot 0,8 – neem andere parameters in overweging.

AGP-niveau
AGP is een acuut fase eiwit dat heel nuttig is bij het maken van onderscheid tussen FIP en andere klinisch vergelijkbare aandoeningen. Bij FIP liggen de AGP-waarden meestal hoger dan 1500 mg/ml. Bij normale katten is dit maximaal 500 mg/ml. Houd echter in het achterhoofd dat AGP niet specifiek is en ook gestegen kan zijn als er sprake is van een (niet-FIP) virale, bacteriële (b.v. stijgende cholangiohepatitis of pyelonephritis) of schimmelinfectie of recentelijk trauma. AGP-meting is zinvol voor het onderscheiden van FIP van neoplasie of niet-besmettelijke leverziekte, waarbij AGP-waarden normaal zullen zijn.   

Hematologie
Bij niet-effusieve FIP treedt lymfopenia op, een niet-regenererende anemie met een hematocriet van 30% of minder en vaak een neutrofiel met een verschuiving naar links. Houd in uw achterhoofd dat bij katten met andere chronische infecties vergelijkbare hematologische veranderingen kunnen optreden. Hematologie is zinvol voor het onderscheiden van FIP van Haemobartonella felis infectie waarbij de anemie regeneratief is en waarbij organismen zichtbaar kunnen zijn bij de erythrocyten.  

Samenvatting
Een kat met droge FIP zou een hoge FCoV antistoftiter moeten hebben, hyperglobulinemie vertonen en een verlaagd albumine/globuline ratio moeten hebben. De kat zou een hoge AGP, lymfopenia, een hematocriet van minder dan 30%, die niet-regeneratief is en mogelijk een neutrofiel, moeten hebben. Klinisch gezien zou de kat gewicht hebben moeten verloren en zal hij/zij gewoonlijk oogsymptomen hebben zoals iritis, manchetvorming rondom een retinaal bloedvat, hoornvliesprecipitatis, aquosus of vitreuse ring.

Onthoud: een gezonde kat met een FCoV antistoftiter is GEEN kat met droge FIP.


(top of page)

Voor het insturen van een monster naar de Universiteit van Glasgow voor een FIP-profiel


Let op: een FIP-profiel is NIET bedoeld voor gezonde katten. Om een gezonde kat te screenen op blootstelling aan FCoV, kunt u eenvoudigweg een heparine bloedmonster insturen voor een FCoV antistoftiter.

Effusieve of natte FIP: stuur 1 ml heparine bloed en 1-2 ml effusie op in gewone, EDTA buisjes. (Let op: het insturen van effusie zal de kans op een nauwkeurige diagnose substantieel verhogen.)

Niet-effusieve of droge FIP: stuur 2 x 1 ml heparine bloed en 1 ml EDTA bloed en twee aan de lucht gedroogde bloeduitstrijkjes.

Stuur de monsters met een testverzoekformulier op (dit kan gedownload worden van Companion Animal Diagnostics of verkregen worden door +44 (0) 141 330 5777 te bellen) of door een briefje met uw adres te sturen naar:

Companion Animal Diagnostics
University of Glasgow Veterinary School
Bearsden
Glasgow
G61 1QH
UK

(top of page)


Feline coronavirus antistoftesten

Gebruik een betrouwbaar FCoV antistoftest

Toepassing van FCoV antistoftesten

Het is van essentieel belang dat uw dierenarts een BETROUWBARE FCoV antlichaamtest gebruikt, zoals de immunofluorescerende antistoftest die wij op de Universiteit van Glasgow gebruiken. Niet alle testen zijn vergelijkbaar met die van ons.

In ons laboratorium hebben we ervaren dat de FCoV Immunocomb, van Biogal Galed Laboratories, zeer gunstige overeenkomsten vertoonde met onze antistoftest. Deze bevinding werd gepresenteerd tijdens de Second International Feline Coronavirus/Feline Infectious Peritonitis workshop en het abstract is verkrijgbaar op die website voor diegenen die meer informatie wensen. Het volledige artikel wordt in april 2004 gepubliceerd in het Journal of Feline Medicine and Surgery. De Immunocomb is een antistoftest die binnen de dierenartsenpraktijk toegepast kan worden.

(Let wel: alhoewel Biogal Galed een link op deze website heeft, ben ik op geen enkele manier bij hen in dienst en ben ik ook geen aandeelhouder. Zij hebben wel het onderzoek gefinancierd waarin hun test werd geëvalueerd, maar hierbij was volledig duidelijk dat ik mijn bevindingen zou publiceren ongeacht de uitkomst Ik blijf onafhankelijk – ik verdien persoonlijk niets aan Biogal en zij dragen financieel niet bij aan mijn onderzoek. Hun link staat hier omdat ik hun FCoV Immunocomb-produkt persoonlijk goedkeur. Zij betalen dezelfde tarieven als de andere adverteerders, maar het tarief dat zij betalen komt ten goede aan het Celia Hammond Animal Trust, een liefdadigheidsinstelling die katten redt.)

Een opmerking voor de producenten van FCoV antistoftesten: Ik bespreek te allen tijde graag de evaluatie van uw antistoftesten met u.

Toepassing van FCoV antistoftesten

1. Diagnose FIP
2. Testen van katten die in aanraking zijn geweest met een kat met vermoedelijk FCoV-uitwerpselen
3. Testen voor het laten paren met een bekende positieve of negatieve kat
4. Screenen van een huishouden op de aanwezigheid van FCoV
5. Screenen van een kat voordat deze in een huishouden vrij van FCoV wordt opgenomen

1. Diagnose FIP (zie FIP diagnose hierboven)

Goede antistoftesten zijn vreselijk belangrijk bij de diagnose van FIP. De meeste gevallen van FIP hebben heel hoge titer en een negatieve test kan vaak een diagnose FIP uitsluiten. Soms lijkt een effusieve FIP negatief voor antistoffen, omdat er zoveel virus in de kat aanwezig is dat alle antistoffen met het virus zijn verbonden en dat er geen vrij zijn om zich te binden aan het virus in de test.

Een veel gestelde vraag is of antistoftesten FECV kunnen onderscheiden van het FIP-virus. Dit is geen goede vraag, want daar waar FCoV is, kan FIP zich ontwikkelen. Geen enkel consequent genetisch of serologisch verschil is ooit in virussen in katten met FIP aangetroffen, vergeleken met virussen in gezonde katten.

2. Testen van katten die in aanraking zijn geweest met een kat met vermoedelijk FCoV-uitwerpselen

Deze katten hebben hoogstwaarschijnlijk antistoffen voor FCoV, aangezien dit een vreselijk besmettelijk virus is. Toch kan het testen zinvol zijn om een antistoftiter te verkrijgen die ter vergelijking gebruikt kan worden wanneer 2-3 maanden later een herhalingstest wordt uitgevoerd om te bepalen of de antistoftiter afneemt. Natuurlijk is het goed nieuws als de antistoftiter van de kat minder is dan 10 (dus negatief) – de kat zal geen FIP ontwikkelen en werpt geen FCoV uit. Dan is het veilig om een andere kat in de buurt te hebben om deze kat gezelschap te houden!

Als men eenmaal weet dat een kat FCoV seropositief is, kan men de stress voor de kat verlagen in een poging om FIP te voorkomen.


3. Testen voor het laten paren met een bekende positieve of negatieve kat

Het is belangrijk dat kattenfokkers voorkomen dat hun eigen katten of die van anderen geïnfecteerd raken door het uitsluitend onderling laten paren van seropositieve katten en respectievelijk seronegatieve katten.


4. Screenen van een huishouden op de aanwezigheid van FCoV

Aangezien FCoV zeer besmettelijk is, is het niet altijd nodig om alle katten in een huishouden te laten testen om te bepalen of FCoV al dan niet aanwezig is. Als de katten in groepen leven is het voldoende dat een enkel monster per groep wordt getest. Als de FCoV endemisch is hebben meestal ruim 90% van de katten antistoffen. In controleprogramma’s worden de katten elke 2-3 maanden getest en als hun titers afnemen tot nul worden ze in de negatieve groep geplaatst om herbesmetting te voorkomen.


5. Screenen van een kat voordat deze in een huishouden vrij van FCoV wordt opgenomen

Wanneer een huishouden vrij is van FcoV, is het van groot belang dat dit zo blijft, dus dienen alle nieuwe katten en kittens negatief getest te zijn voordat ze in de groep kunnen worden opgenomen. Het zou zelfs verstandig zijn om katten die terugkomen van fokken of shows in quarantaine te zetten en te laten testen.

 

Opsporing van virussen met RT-PCR
Zie ook Wat is RC-PTR. Met RT-PCR kan het FCoV genoom waargenomen worden, wat kan duiden op de aanwezigheid van het virus. De interpretatie van dit soort testen is echter moeilijk, omdat zowel gezonde katten als katten met FIP positief kunnen testen voor het virus. Katten met andere ziekten dan FIP kunnen toevallig ook het virus hebben.

In mijn onderzoeksrapport ben ik tot de conclusie gekomen dat het zinvoller is om onze antistoffentest uit te voeren dan RT-PCR: om aan te tonen dat het virus uit het lichaam van de kat verdreven is, was slechts 1 antistoffentiter van minder dan 10 in ons laboratorium nodig, terwijl hiervoor 5 maandelijkse negatieve RT-PCR testen van de ontlasting nodig waren. Toch is RT-PCR de enige manier om een dragerkat op te sporen – een kat die gedurende 9 maanden of langer continu FCoV uitscheidt, zal waarschijnlijk zijn leven lang drager zijn.

Op het moment van schrijven is er nog geen RT-PCR beschikbaar waarmee onderscheid kan worden gemaakt tussen coronavirussen die FIP veroorzaken en coronavirussen die geen FIP veroorzaken. Het verschil tussen het eerste en het tweede is dat bij FIP het FCoV zich kan vermeerderen door celdeling in macrofagen, terwijl bij met FIV besmette katten zonder FIV het FCOV zich niet vermeerdert in macrofagen. (macrofagen zijn een bepaald type witte bloedcellen). Op het tweede International Feline Coronavirus/Feline Infectious Peritonitis symposium echter presenteerde een jonge Nederlandse wetenschapper, Fermin Simons, een RT-PCR waar hij aan werkt waarmee zich vermeerderende FCoV in macrofagen opgespoord kan worden. Zijn samenvatting staat op de SIFFS website. Deze RT-PCR is nog niet op de markt, maar is een veelbelovende test voor de diagnose van FIP.

Behandeling van FIP – dit gedeelte is bedoeld voor dierenartsen.

Op welke symptomen moet ik letten bij mijn kat?

De volgende symptomen kunnen een teken zijn dat uw kat FIP ontwikkelt:

Gewichtsverlies
terugkerende koorts (meestal opgemerkt als uw dierenarts de temperatuur opneemt)
vermindering van eetlust
de kat wordt vaak luier dan normaal
plotseling opzwellen van de buik
Kijk regelmatig goed naar de ogen van uw kat, kijk naar iedere verandering van de kleur van de iris (het gekleurde deel van het oog van de kat rond de pupil). Let op troebele ogen, of bloedingen (kijk goed naar de ogen van de kat in het gedeelte over droge FIP om een idee te krijgen waar u op moet letten),
ademhalingsproblemen (als de kat door de mond ademt)
of de kat stuipen of een aanval heeft
of de kat evenwichtsproblemen lijkt te hebben
onhandig wordt of de persoonlijkheid van de kat verandert.

Als u een kattenfokker bent, kunnen de volgende symptomen bij uw kittens wijzen op de aanwezigheid van FCoV:

Kittens uit hetzelfde nest die verschillend van grootte zijn
Diarree bij kittens die 5-7 weken oud zijn
Niezen of afscheiding uit de ogen

Onthoud dat de hierboven genoemde symptomen ook kunnen voorkomen door andere aandoeningen die te genezen zijn. Dus ga met uw katten naar de dierenarts als een van deze symptomen zich voordoet en hoop er het beste van. Vergeet niet dat acht van de tien katten van wie monsters naar ons laboratorium gestuurd werden voor onderzoek op FIP, helemaal geen FIP bleken te hebben!  

 

 (top of page)

 

Onze hartelijke dank aan Saskia Steur, Ada de Raad, Henny de Lege, Helen van Mackelenebrgh, Tineke Blokzijl – Haar voor de vertaling naar het Nederlands van Dr Addie's webstek 

last updated 26 Feb 2004

Site ©  2000 - 2003 Dr. Diane Addie
Site Design © Melody Amundson, Mariposa Creations